Elektronenaffiniteit: definitie in de scheikunde
Elektronenaffiniteit: De energieverandering wanneer een neutraal atoom in de gasfase een elektron opneemt en een negatief ion vormt. Halogenen hebben bijzonder hoge elektronenaffiniteiten.
Een grote elektronenaffiniteit betekent dat er veel energie vrijkomt wanneer het atoom een elektron opneemt, wat typisch is voor niet-metalen. Chloor, niet fluor, heeft de hoogste elektronenaffiniteit van alle elementen, omdat het extra elektron in het zeer kleine fluoratoom te weinig ruimte heeft. Tekenconventies verschillen: sommige boeken geven de vrijgekomen energie als positief getal, andere schrijven haar als negatieve energieverandering.
Voorbeelden
- Chloor geeft ongeveer 349 kJ/mol af wanneer het een elektron opneemt
- Fluor geeft ongeveer 328 kJ/mol af, iets minder dan chloor
- Edelgassen zoals neon vormen geen stabiele negatieve ionen
- Een tweede elektron aan O⁻ toevoegen om O²⁻ te vormen kost energie
In het periodiek systeem
De elektronenaffiniteit neemt over het algemeen toe van links naar rechts in een periode, is het hoogst bij de halogenen in groep 17 en daalt sterk bij de edelgassen in groep 18.